MTR 2013

De MonsterTijdRit zit er weer op voor dit jaar, een waardige afsluiting van het wegseizoen.

Mijn verwachtingen waren hoog gespannen, ik had een nieuwe (tijdrit)fiets, was afgevallen, was sterker geworden door de clubcompetitie, en reed harder dan ooit tevoren.

Ik had een week geleden een trainingsrit van 60km gereden, en dat leverde geen noemenswaardige pijntjes op, afgezien van het zitvlak. Er waren me tijdens die rit wat kleine dingetjes opgevallen, en met dat in het achterhoofd nog wat veranderingen in de afstelling van de fiets gemaakt. De laatste werkdagen had ik het woon-werkverkeer op de P3 afgelegd, en had daardoor de bevestiging dat de veranderingen ook verbeteringen waren. Maar ja, 122km is een hele afstand….

Bij het inrijden viel het me op dat het erg fris was, en dat de wind een stuk harder woei dan de afgelopen dagen. Toch kon ik 32km/h tegen de wind in halen. Dat lijkt niet zo hard, maar dat was wel de gemiddelde snelheid die bij mijn beste tijd (3:49:00) hoort. Ik moet zeggen dat dat wel een lekker gevoel gaf. Na het inrijden naar de auto, overschoentjes aan, helm wisselen, en mouwtjes aan.

Na de start is het zaak om zo snel als mogelijk in je ritme te komen, en dat zo’n 120km vol te houden. Simpel, toch?

Dat in het ritme komen lukte best aardig. Het eerste lange stuk ging tegen de wind in, en op zich ging dat goed, maar ik zat tussen twee versnellingen in. De lichtste was eigenlijk net iets te licht, en de zwaardere voelde net te zwaar aan om zo lang vol te houden. Einde rechts, en er kon een tandje bij (of, eigenlijk, af). De harde wind was nu goed te merken: als je achter de bossage wegkwam, dan kreeg je een klap naar rechts. Ik had bij het inrijden me even zorgen gemaakt over het dichte achterwiel, maar ja, dat was het enige achterwiel wat ik bij me had. Nu bleek dat het wel meeviel. Weer einde rechts, en nu de wind grotendeels in de rug. Opschakelen, opschakelen, opschakelen, opscha…. o, ik zit al op de grootste versnelling…. Heb niet de hele tijd op de 53/12 gereden, dat durfde ik nog niet in de eerste ronde. Je kunt ontzettend stuk gaan op de MTR. Dat was me vorig jaar overkomen. Je gaat harken, krijgt een hongerklopje, en de toeristen vliegen je om de oren, bij wijze van spreken.

Een hongerklop zou me nu niet overkomen, twee gelletjes in de zakken, en een Camelbak op de rug zouden daar een stokje voor steken. Note to self: de Camelbak eerst op de rug doen, dan de tijdrithelm opzetten.

Tweede ronde. Bij het passeren van de lijn stond clubgenote Harriët Koorn aan de start. Meestal wordt je in de tweede ronde vrij vaak ingehaald, omdat er op te verwachten eindtijd gestart wordt, en de snelsten komen als laatsten aan de beurt. Maar deze keer was het behoorlijk rustig, ik werd (nog) niet ingehaald. De tweede ronde verliep ongeveer gelijk aan de eerste ronde, maar ik durfde nu wat meer de zwaardere verzetten te schakelen. Alles voelde nog goed aan, behalve het zitvlak. Dat stak en brandde, al naar gelang de houding waarmee ik op het zadel zat. Normaliter worden dat soort pijntjes alleen maar erger, maar aan het einde van de tweede ronde viel het me op dat ik steeds minder last van het zitvlak kreeg. Goed fietsje, die P3!

Aan het begin van het laatste lange stuk tegen de wind in kwam Harriët me voorbij, en reed maar heel langzaam bij me weg. Ik had het even moeilijk  op dat moment, en een roze fietster voor me was een mooi richtpunt. Zelf had ik een stayer in het wiel gekregen, en ook die ergernis hielp om het tempo vast te houden. Wederom langer en vaker de zwaardere verzetten gereden, ik zat nu in de laatste ronde, en ik voelde me naar omstandigheden goed. Ik zat tegen de 3 uur op de fiets, en had zo’n 100km gereden, en dat laat echt wel wat sporen na: de bovenbenen werden wel stijver, maar dat heb ik al eens veel erger gehad. Laatste keer einde rechts, wind in de rug, nu de 12 schakelen, en maar blijven beuken. Harriët zat nu een paar honderd meter voor me, en was nog steeds een goed richtpunt. Langzaam maar zeker kwam ik dichterbij. Ik kon het me op dat moment veroorloven om tegen de verzuring (of verstijving) aan te rijden, ik zou so wie so een fors stuk van mijn beste tijd afrijden.

Ik had gehoopt om op de finish vlak achter haar te zitten (‘t is niet zo leuk om ingehaald te worden door iemand die je zelf hebt ingehaald), maar ik haalde haar met nog een paar kilometers te gaan in, net aan het einde van de lange laatste bocht naar het laatste rechte stuk naar de finish. Ik had de 12 laten staan, en moest behoorlijk duwen om die goed rond te krijgen, maar ik kreeg niet de indruk dat ik aan het harken was.  Aan de andere kant, hoe objectief zijn je waarnemingen nog na dik drie uur tijdrijden?

De finish werd gepasseerd, en de benen stik gehouden. Soms komt dan het lastigste stuk van een tijdrit: het loskomen van alle nog niet afgevoerde afvalstoffen uit je spieren. Deze keer viel dat ontzettend mee. Toch wist ik wel dat het niet veel harder kon. Had ik dat geprobeerd, dan zou ik hoogstwaarschijnlijk kramp hebben gekregen, en dan kun je het helemaal wel vergeten.

Aan het begin van de derde ronde was de Garmin gaan piepen, en ik had er wat mee gerotzooid, waardoor de eindtijd niet betrouwbaar was, evenmin als de afstand (118.1km i.p.v. 122.4km).  Het bleek 3:22:32 te zijn, na analyse van de tcx-file.

Ik had de afgelopen dagen ingeschat dat ik 3:30 zou kunnen halen als alles meezat. Dat leek me bij het inrijden niet meer mogelijk te zijn. Na de eerste ronde zag ik dat ik die net onder de 1:10 had gereden, dus wellicht zat die 3:30 er dan toch in. Na de tweede ronde werd dat bevestigd: volgens de Garmin zat ik nog onder de 2:20. De derde ronde gaf me niet het gevoel dat ik snelheid verloor, maar ik heb me daarin wel eens vergist, maar dus niet deze keer. En zover onder de 3:30 is een aangename verrassing.

De conclusies: het aanschaffen van de P3 plus een dicht achterwiel is een uitstekende zet geweest, het is nu al iedere Euro waard geweest. Het kwijtraken van wat overbodige kilos helpt ook, en van het meedoen aan de clubcompetitie wordt je sterker.

En het helpt ook als je maf bent, want anders begin je niet aan zo’n monsterlijke onderneming.

Finish what you started

Sometimes, it’s not the challenge, or even completing the challenge. Sometimes, it’s the story behind it.

Strava‘s 2013 Spring Classics Challenge was pretty easy: ride 1319km (or 820 miles) or more in the month of April. Having a daily commute of about 2×19 miles would make this challenge almost a triviality. To kick-start the challenge, I took my new race machine out for a century-miler on April 1st.

The new race machineAll went well until about 80 miles. There, on a round-about, things went wrong: I crashed, and broke my collarbone… Now, the thing about a broken collarbone is that they can’t put a cast on it. The only thing they can do is cut it open, and screw a plate on it. As I not only had two fractures, but also two chips, chances were that the chips had come off on the very spot they’d want to put the screws. So, what was left for me was to let it heal on its own. So, when I got out of the hospital four days later, sore shoulder and all, and the last thing on my mind was the Strava Spring Challenge.

Not being able to ride a (race) bike is one thing, but being indoors 24×7 is not quite something I fancy. So I started walking, that being the only outdoors activity I could still do, and true to the Mythbusters adagium that anything worth doing is worth overdoing, the walks averaged 15 miles. Although I was happy to spend those hours outdoors, walking just isn’t, and probably won’t ever be, my favorite activity. As by the end of the 2nd week I was cleared to get back to work, I needed transportation. Driving a car is out of the question, riding a race bike too, and public transportation with the risk of having someone bump into me? Nah, I don’t think so…..

Now, there are bikes that you can ride while sitting upright, and steer with just one hand: the Dutch bike, or (in Dutch) the omafiets.

Image

Although it does have a front rim brake, the main braking system is a coaster brake, to I don’t have to use my left hand for braking. And as it’s a single speed bike, no changing gears, either, so I don’t have to use my right hand at all. Having bought one at the 16th, and taking it for a 25 mile ride, I found riding this bike comparable to walking in terms of strain to my right shoulder.

So, for the first days, I just rode to work, not thinking about the challenge. Actually, that’s not quite true: I’d pretty much given up on the challenge. There was no way I could see to ride about 700 miles in little more than two weeks. But on the 18th, I did a little calculation: I’d ridden 180 miles by then, so in order to finish, I had to ride (820-180)/12 = 53.4 miles per day. That’s “only” 15.4 miles added to the daily commute. That sounds a whole less daunting.

So, every day, I’d ride to work, maybe take a longer route than normal, depending on the wind, and after my right shoulder started to stiffen up, I’d ride back home, getting the extra miles done, plus a little more, weather permitting, to get the mileage down. The weekends might prove a problem, though. I’m not the kind of guy that bikes somewhere, spends half an hour there, and continues on. When I stop, it’s only for a minute or so. Riding 50+ miles on a new bike, with a different type of saddle, and a different geometry just might prove too much to do. On Saturday 20th, I managed to push a little over 30 miles in a strong wind. That’s 13 miles short. That’s a problem: I was already pushing it just about as far as I could during the week, no chance of recouping those miles then. And to add them to the Sunday ride? Hardly doable. So I was close to giving up on the challenge for the second time.

Sunday 21st, however, started out as a really lovely, albeit cold, day. As it happened, I had an appointment in Leiden to man the time-keeping electronics at the Junior’s race series at my cycling club. It was an easy peddle to Leiden, just a little under 30 miles. After the races, the temperature had become agreeable, and I decided to take a long ride back home. It turned out to be a 43 miles ride, and taken over the weekend, I was only 2 miles short. It still was doable!

During the next week, I was really pushing it. I’d become accustomed to the bike, although I had to fiddle with the saddle as that was sagging down, and changing its height a couple of times within a few days didn’t go well with my knees. But I was not only getting the allotted miles down, but also an extra few more, so by the time it was Saturday 27th, I’d ridden 630 miles, meaning I’d only had to do about 47.5 miles per day the remaining 4 days. Had the weather been windy, cold and/or wet during the week, this weekend, the weather was nice. So nice in fact, I’d ridden 50+ miles on Saturday, but went for another 30 miles in the evening, plus 50 miles again on Sunday! With the daily commute on Monday, that left about 20-25 miles on Tuesday. It being a public holiday, I could decide on a nice ride to complete the challenge. Then it suddenly hit me: why not going to the crash site, and complete the ride I’d started in the 1st?

Trip

 So, I went out on Tuesday with two GPSs. One for the trip to the crash site, the other one for the completion of the ride I started a month earlier. Considering it to be two rides also freed me from a rule I’d set myself eons ago to never ride the same road twice during a ride (unless there’s no alternative). At the crash site, I stopped, switched off one GPS, turned on the other, and completed the ride, as well as the challenge.

 

Now, you can make several remarks on this, an obvious one being that I must be crazy to bike more than 750 miles with a broken collarbone. Of course, there’s a risk there that I’m taking, but there’s also a risk of hurting yourself when you’re walking. And there’s even a risk when staying in bed: you can roll onto your bad shoulder while you’re sleeping. It happened to me at least twice.

Another one might be that it’s better to find out what you still can do, or can start to do, rather than moan about what you can’t do. I could’ve not bought that bike on the 16th, and it would’ve spared me a whole lot of pain in the quadriceps, but then I wouldn’t’ve had all the fun of watching people stare at me.

The remaining remarks are left as exercises to the reader ;-)

Reconstructie van een val.

Het was een rit die al een tijdlang in mijn gedachten zat. Niet zozeer omdat ik het niet eerder had gefietst, maar omdat ik het nog niet met een GPS gereden had. De vraag was alleen of het Lelystad-Enkhuizen zou worden, of Enkhuizen-Lelystad. De windrichting op de dag zef zou dat bepalen.

Tweede paasdag leek me een geschikte dag: droog, zonnig, redelijke temperatuur, en niet te veel wind uit noordoostelijke richting. En daarom zou het Enkhuizen-Lelystad worden.

Net buiten Amsterdam-Noord joeg ik achter een brommertje aan, en ik hield het tempo erin achter de dijken langs op weg naar Hoorn. Het was toch behoorlijk fris aan de noordkant van de Houtribdijk. Ik verheugde me al op het stuk na Lelystad, met de wind recht in de rug.

Vanaf de Knardijk komt een andere fietser de Oostvaardersdijk op. Hij rijdt een 50m voor me. Ik rijd net wat harder, en passeer hem na een minuut of twee. Even later passeert hij mij, en neemt een voorsprong van weer 50m. Ik schakel op, leg mijn armen op het stuur om de rug een beetje te ontlasten; ik zit al dik drie uur in het zadel. Ik kom weer langszij. Ik merk dat mijn compaan in mijn wiel gaat zitten. Na een minuut of tien schakelt hij weer op, en passeert met weer. Ik denk even na, maar besluit op hetzelfde tempo door te rijden, ik heb nog dik 30km te gaan, en ik rijd al boven de 40 per uur. Langzaam maar zeker wordt het gat groter. Hij heeft een voorsprong van een 150m wanneer hij linksaf slaat bij de eerste zijweg naar Almere. Ik kijk hem even na, en stuur in om over het fietspad de rotonde te nemen.

Ik zit op de grond, en voel me niet lekker, tegen misselijk aan. Iemand slaat een deken om me heen. Ik kijk naar rechts, en zie een auto naast me op de kruising staan. “Ja, hij is buiten bewustzijn geweest” hoor ik iemand boven me zeggen. Het baart me geen zorgen. Ik vraag of de fiets nog heel is. Ik ben vergeten of er een antwoord kwam, laat staan wat het was.

Ik lig in de ambulance, en een blonde agente vraagt me wie ze kan waarschuwen. “Mijn vrouw,” antwoord ik, “ze staat als Mel in mijn telefoon.” Wat later komt ze terug, en heeft een geel papiertje in de hand. “Deze meneer heeft Uw fiets,” zegt ze. OK, zeg ik. Ze legt het papiertje met mijn mobieltje in mijn helm. Ik begin last van mijn fietsschoenen te krijgen, en vraag de ambulancebroeder of hij ze wil uittrekken. Hij doet het. Ik ben rustig, en maak een paar droge opmerkingen. Hij met er om grinniken.

De zuster zegt dat ik stil moet blijven liggen. Er wordt een scan van mijn hoofd gemaakt. Daar was klaarblijkelijk niets zorgwekkends op te zien, want even later sta ik voor het Röntgenapparaat, en worden er twee foto’s gemaakt. De dienstdoende zuster is verbaasd dat ik mijn arm zo soepel kan bewegen. Mijn rechtersleutelbeen ligt in vijf stukken; drie groten, en twee splinters…

Mijn vrouw is er onderhand ook bijgekomen. Ik word beklopt, er wordt aan me geduwd en getrokken. Ik moet daar tegenin duwen. Terloops worden er drie woorden genoemd die ik moet onthouden. Ik herhaal ze drie keer in mijn hoofd.

Als het onderzoek klaar is, moet ik ze herhalen. Het is correct. Eenmaal op zaal vraagt mijn vrouw me ze nog een keer op te noemen. “Appel”, weet ik nog. “Tafel”, vult ze aan, maar het derde woord is ook haar ontschoten.

Later tijdens het bezoekuur komt ze met de helm. Ik bekijk hem vluchtig, maar zie al snel een aantal barsten in de binnenschaal. “Goed dat ik die ophad”, zeg ik.

De volgende dagen worden in het ziekenhuis doorgebracht. Ik kan me niet herinneren waarom ik gevallen ben, en er worden spierafbraakenzymen in mijn bloed gevonden. Men houdt er rekening mee dat ik een hartinfarct heb gekregen, en daardoor ten val ben gekomen. Dinsdag heeft mijn vrouw de fiets opgehaald, en weet te melden dat er zand en grint in de bocht lag waarin ik gevallen ben. Ik heb die dag een latente hoofdpijn, en concludeer dat ik ook een hersenschudding aan de val heb overgehouden. Omdat de hartfilm en de echo van het hart er goed uitzagen volgens de verpleegkundigen die de tests afnamen lijkt het me veel waarschijnlijker dat ik vanwege de hersenschudding niet meer weet waarom ik gevallen ben dan door een infarct.

Woensdag gebeurt er niets, en donderdag mag ik een inspanningstest doen. De dienstdoende verpleegkundige zegt dat hij geen afwijkingen ziet.

Het lijkt er op dat er ook vrijdag niets gaat gebeuren. Ik uit hierover in duidelijke bewoordingen mijn ongenoegen, en uiteindelijk komt een cardioloog tekst en uitleg geven. Hieruit wordt duidelijk dat men nog een vaatonderzoek in petto heeft, maar dat die ten gevolge van allerlei miscommunities pas maandag zou plaatsvinden. Ik voelde daar weinig voor, maar de cardioloog raadde me toch aan om het onderzoek te doen om de laatste procenten onzekerheid weg te nemen. Ik zeg dat ik erover na zal denken, en hem mijn beslissing melden.

Ik bel de man die zich over mijn fiets heeft ontfermd nadat ik in de ambulance werd geschoven. Hij was ook als eerste bij me na mijn val, en zegt dat ik, toen hij me vroeg wat er gebeurd was antwoordde dat mijn voorwiel was weggegleden. Dat is muziek in mijn oren, want het betekent dat ik bij kennis was tijdens de val, en dat ik derhalve geen infarct heb gehad.

Ik deel de cardioloog mee dat ik het vaatonderzoek niet noodzakelijk vind, en geef de redenen hiervoor. Hij sputtert nog even tegen, maar gaat uiteindelijk accoord. Ik mag naar huis.

Thuisgekomen bekijk ik de helm nog eens goed. Ik zie steeds meer scheuren en barsten. Er valt me ineens wat op: het stickertje met het serienummer zit in een breuk gevouwen.Image

Dat houdt in dat de helm daar niet alleen gebarsten was, maar ook een paar milimeter naar voren gebogen is geweest. Bij het weer terugveren is het uiteinde van de sticker meegetrokken. Ik begin er van overtuigd te raken dat zonder helm ik hoogstwaarschijnlijk niet meer zou leven.

De volgende dag rijd ik met mijn vrouw (ik zit niet achter het stuur) naar de plek des onheils. Het is de afslag waar mijn compaan linksaf sloeg. Ik kijk even rond, en zie al snel waarop mijn voorwiel is weggegleden.

Image

Er zijn twee haaietanden op tspad aangebracht. De rechter is nog in goede staat, de linker is geheel verworden tot gruis.. De te kruisen weg is een asfaltweg, en het asfalt ligt ongeveer een halve centimeter boven het beton van het fietspad.

Ik loop een eindje terug, en zie de verweerde haaietand nauwelijks.Image

Bij het douchen die ochtend was het me opgevallen dat de onderste ribben aan de rechterkant aan de binnenkant gevoelig waren. Bij het diep ademhalen (en helaas ook bij het hoesten) doet dat ook zeer, evenals een hogergelegen rib. Het is me nu duidelijk wat er gebeurd is.

Bij het insturen voor het tweede gedeelte van de bocht om de rotonde glijdt mijn voorwiel weg op de verweerde haaietand. Op zich hoeft dat niet tot een ramp te leiden, maar voordat het wiel weer grip krijgt botst het tegen het hogergelegen asfalt aan, en springt verder weg. Nu is een val een zekerheid geworden. De data van de GPS laat zien dat ik zo’n 40 km/u reed op dat moment. De schaafplekken aan mijn rechtervingers tonen aan dat ik mijn stuur niet heb losgelaten, en dus met mijn gehele rechterkant in één keer op de grond sla. De klap is zo hard dat mijn helm op veel plaatsen barst en buigt, en de kracht op mijn schouder is zo groot dat mijn sleutelbeen meervoudig breekt. De helm kan niet de gehele klap niet opvangen, en ik loop ook een hersenschudding op. Mijn ingewanden, waaronder mijn hart, krijgen ook een dreun te verwerken, waardoor ik me redelijk onwel voel, en er afbraakenzymen in mijn bloed komen, waardoor het ziekenhuis op het dwaalspoor van een infarct gebracht wordt.

Alles in ogenschouw nemend heb ik bij de val zo’n beetje alles goed gedaan. Had ik iets anders gedaan, dan zou ik al rap heel wat meer schade opgelopen hebben…

En de fiets heeft alleen wat kleine beschadigingen aan de rubbers van de remgrepen en de achterkant van het zadel opgelopen. Die is na mijn val weggestuiterd.

 

Post scriptum:

1) De klap die mijn ingewanden hebben gemaakt zijn veroorzaakt door de onderste ribben, die door mijn elleboog naar binnen gedrukt worden. Zou ik op de oude Decathlon hebben gereden, was dit niet gebeurd, want daar zat het stuur verder naar voren. Ik geloof overigens niet dat ik er dan beter vanaf gekomen zou zijn.

2) Na bestudering van de fietskleding die ik die dag aanhad ben ik tot de conclusie gekomen dat niet alleen de fiets, maar ikzelf ook op de weg ben gestuiterd. Het shirt heeft wat schuurplekjes op de rechterschouder, terwijl de broek een gaatje heeft, en wat smalle schaafplekjes. Zou ik glijdend over het asfalt en beton tot stilstand gekomen zijn, zou de schade vele malen groter moeten zijn geweest (en aan mij qua schaafwonden ook).

Het begin van het seizoen

De eerste race van het jaar zit er op. Nadat ik vrijdag tot de slotsom was gekomen dat ik het te koud vond om de Ronde van Vlaanderen te gaan fietsen was daar de gelegenheid om aan de clubkampioenschappen van mijn club (Swift Leiden) mee te doen. Je moet toch een keer een seizoenstart maken, en tot nu toe moest ik eerdere mogelijkheden om te rijden vanwege malheur aan de keel aan me voorbij laten gaan. Ik had in de sneeuwperiode, toen het er ook nog hard bij woei, mijn keel dermate geïrriteerd met het inademen van grote hoeveelheden koude lucht dat deze bijna ontstoken raakte. Letterlijk rustig doorfietsen, is dan het devies. Met andere woorden, ik heb genoeg lang duurwerk gedaan, maar het meer intensieve werk is er tot nu toe bij ingeschoten. En ik had vorig jaar al gemerkt dat juist dat erg belangrijk is…

Afijn, nadat vanmorgen de wekker was afgegaan bleef ik nog een kleine tien minuten liggen, dubbend of ik wel of niet zou gaan rijden. Maar ik kon eigenlijk geen reden verzinnen om niet te gaan, dus stapte ik maar uit bed, om met een blik naar buiten te mogen constateren dat er sneeuwvlokjes naar beneden dwarrelden. Ach, toe maar….

Bij de club aangekomen was het zaak om het lijf een beetje los en warm te rijden. Daar bleken de bovenbenen toch anders over te denken, want die blokkeerden aardig toen het tegen de wind in ging. Iedere illusie die ik nog had verdween daarmee definitief: ‘t zou een uurtje overleven worden. Na een ommetje van 22km en zo’n vijftal rondjes op de baan zelf was het tijd om achter de startlijn plaats te nemen.

Vanuit de start werd er gelijk gekoerst, en deed een groepje in de eerste bocht al een uitlooppoging. Dat had zo zijn gevolgen, en aan de achterkant van het peleton verdwenen er rijders, waaronder ik. Ik gokte erop dat degene voor mij het gaatje wel dicht zou rijden, maar dat bleek ijdele hoop te zijn, en in een uiterste krachtsinspanning reed ik het gaatje net voor de laatste bocht dicht. Omdat de snoodaards ook waren ingelopen was er een kans dat het even stil zou vallen, en ik even wat beter op adem zou kunnen komen. Helaas, er werd onverminderd hard doorgereden, en bracht ik de tweede ronde spartelend aan de staart van het peleton dooe, om er aan het begin van de derde ronde definitief af te gaan. Een blik naar achter toonde een tweetal rijders een kleine 100m achter me. Als ik het even wat rustiger aan zou doen, dan kon ik weer aanpikken als ze voorbij kwamen. Alszo gebeurde. Alleen waren we twee ronden later nog maar met ons tweeën, en weer een ronde later moest ik afhaken. Een paar ronden later merkte ik dat er wederom een 100m achter me een tweetal reed. Drie ronden later was dit verschil nog steeds 100m, en leek het me handiger dat ik me tot hen liet afzakken, want je kunt beter met drie man zijn dan alleen. Zo gezegd, zo gedaan, en het liep vrij aardig totdat het peleton langszij kwam, en ieder een poging deed om zo lang mogelijk bij te blijven. Gevolg was wel dat ik helemaal alleen kwam te zitten toen ik weer moest lossen. Tsja, wat nu?

Doorrijden, wat zou je anders moeten doen? Nu is het knap lastig om doelloos rond te rijden, dus speurde ik naarstig naar mogelijkheden om me op te richten. Na verloop van tijd zag ik voor me een tweetal rijden waar ik langzaam maar zeker op aan het inlopen was. Een aantal ronden verder had ik hen op de Bult achterhaald. Maar ja, als je een groepje bijhaald, dan rijd je harder dan zij, en heeft het weinig zin om aan te sluiten. Dus passeren, en wie mee kan heeft geluk.Eén bleek mee te kunnen komen, en bleef een ronde of drie in mijn wiel rijden. Niks mis mee, ik was immers de snellere. Het zorgde er wel voor dat hij bij zijn laatste ronde net niet op nog een ronde achterstand werd gezet. Goed bekeken.

Toen het peleton voor de derde keer langs kwam bleek het tempo wat gezakt te zijn, en kon ik in de staart meekomen. Bij de volgende doorkomst waren er nog drie ronden te gaan. Gelijk werd het tempo opgevoerd. Zaak was tot in ieder geval de laatste ronde bij te blijven, en dat lukte vrij aardig. Bij de laatste beklimming van de Bult heb ik de groep laten lopen. Met een paar ronden achterstand en niemand verder in dezelfde ronde maakt het toch geen verschil. 15e geworden van de 17 finishers en 19 gestarten. Er is nog ruimte voor verbetering, heet dat dan.

Toch heb ik wel een goed gevoel overgehouden. Dit was ook de eerste keer dat ik m;n nieuwe fiets in een race heb gereden. Ik had al een 2000km erop gereden, dus wist ik wel zo’n beetje hoe de fiets zou reageren, maar om ermee daadwerkelijk te sleuren, duwen en trekken is toch wel iets geheel anders. En ik moet zeggen, het rijdt beter dan de oude, ondanks dat ik daar haast blindelings mee kan rijden. Ik moet alleen nog een beter gevoel krijgen voor de optimale locatie van het zwaartepunt, want ik moest de fiets een paar keer de bocht doortrekken omdat ik niet goed op de fiets zat. Maar ik heb het gevoel dat dat niet lang zal duren.

The Blunderer’s Guide to Cyclocross

How to become a cyclocrosser in I don’t know how many probably not so easy steps.

As the road racing season is drawing to a close, some turn to cyclocross to get themselves through the winter. As I’d joined Swift Leiden in the beginning of the year, and done satisfactory (at least to me) in the club competition, I’d thought it’d be fun to also enter into their cyclocross competition. Having never done anything that even comes close to cyclocross, not even on my ATB (as I use that bike exclusively for beach races), I have no idea what I’d gotten myself into. Well, read all about it here!

October 3: after yesterday’s fiasco, where I pulled out of the first training on accounts of being a liability to the others, I tried to figure out what’d gone wrong. Granted, the course was a bit more challenging than I’d be comfortable with, but there was more to it than just that. I pretty quickly came to the conclusion that I felt like having insufficient control over the bike. I found a couple of reasons why that might be. First of all, I’ve never been on a crosser, apart from a few test rides to get the settings sort-of correct. The geometry of a crosser is different from a road bike, so its handling is different, too. Second, even though I’d tinkered with the settings, there’s no guarantee I’d gotten it right. Third, I might try riding in the drops rather than using the brake grips. So the plan was to try again this afternoon, but with some changes. I’d lowered thr tire pressure, and I’d be riding in the drops.

Arriving at the course, I turned out to be the only one there. Well, at least I’d be in no one’s way. My plan was to redo yesterday’s training. After going through the first couple of bends I’d figured out that riding in the drops was actually harder than holding the grips, which by itself was sub-optimal already. So the plan was in tatters in about five minutes. So, what’s next?  While noodling around a bit aimlessly, I spotted a single bush in the grass. Just as an exercise, I decided to try to ride the smallest circle around it. That turned out to be harder than I thought. After four or five full circles I started to feel a bit dizzy, so I circle around the other way. Equally difficult. Riding ’round in circles gets boring pretty fast, so I turned to riding figure-eights by just adding another circle. That was actually more useful than riding circles, as I found out that a left turn – right turn conversion is made easier by shifting your weight. Slowly but surely, I was getting more control on the bike. Back to those first set of bends. Lo and behold, they were now easier to ride through! Progress! After a few more passes both ways, I felt I’d done enough here for the day, especially because the tire pressure was a bit too low.

At home, I upped the pressure, and started looking for somewhere to train a bit more. There’s plenty of grass around, but it’s all just a little bit too nice to lay down some tracks in it. After some driving around, I found twenty trees, all spaced about two meters from one another. Perfect to slalom through! After doing a few passes, I decided to turn the bars a bit more upright as I felt I didn’t have complete control yet. It was getting much better compared to yesterday, but still. After turning the bars, I went back for a few more passes. Yeah, big improvement. Now, I can go faster, and when moving my weight back on the saddle, I can even slide the back wheel into the curve. Now, that’s a neat trick!

October 4: well, if you want to cross, you better bring your shoes… The plan was to train some more on the club course after work, but as I left the shoes at home, and having an appointment later in the evening, that plan fell through. So after work, I went straight home, and did some zig-zagging through the trees that I found yesterday. Being on a crosser is something I have to get used to, I now found out. On the first couple of passes through the trees, it was almost just as awkward as yesterday, although I went through them somewhat faster. Thankfully, after those first passes, I got into the rhythm, and things got a lot easier. I also found out how sliding the back wheel  works: you push the bike down when steering into the bend, and when it’s slippery enough, it’ll slide out. And as you’re now into the bend, the bike rises, and the back side’s OK again. I just love finding out this sort of stuff.

October 5: having both the helmet and the shoes in the car, I went to the club course. On the recce-ride, I noticed that the bend where things went so wrong on Tuesday had been altered. Rather than halfway into the descent, it now is placed at the bottom, so when you miss it, you don’t career into harm’s way. As if they’d know.

The first thing I did was to go back to those bends from Tuesday and Wednesday. However, due to the copious amounts of rain that fell during the past days, it was slippery as hell. Still, I had a few good passes through it.  After adding the to and fro from the bottom section to it, I went to the second section. I only did that one once. The bend at the bottom went OK, but the grass and mud were so slippery, there was no way to bike back up. No point repeating that…. So, next up, the dreaded descent. Well, the new version. First pass went sort-of OK, not too fast, maybe a bit too cautious. Second pass went better, more smoothly. The third time, the back wheel slipped down… Nothing bad happened, fortunately. I then combined the first section with the third, and that was sweet. Didn’t go too fast, that’s for later.

Now, there’s a ride tomorrow. I did a recce on the way home. It looks flat, so who knows? I just might….

October 6: I decided that I don’t want to be a mere hindrance to the others, so rather than going to Alphen, I postponed my debut in cyclocross by (at least) a week. After doing some chores at the house, the rain had stopped falling, and I went out for a ride. So far, I’ve only found those twenty trees to train with, and that’s not much. The goal for today was finding more training tracks. That proved fairly hard to find. Most grassy fields were nearly submerged, others were sandy, so not very usable to train bike control. I did find a bunch of single tracks, but officially they’re off-limits as they’re intended for horse-back riders. They’re good for building stamina, though. I’ll probably make a revisit tomorrow.

October 7: today, I went out on those single tracks. As I rarely ride there, I had no idea where I was going. It showed.  Taking the first footpath took me in the opposite direction, I found out. Rather than going back the same way, I checked whether the route along the Amsterdam-Rijnkanaal was already opened. Unfortunately, it wasn’t, and I had no other option but to go back to where I took the left to the footpath…

After this  small mishap, I did get to the single tracks, and were they hard to ride. Not only because they’re extremely bumpy, but also half of the time, a well-paved cycle- or footpath runs right next to it. It’s very hard to resist taking them instead. As for my cluelessness as to where I was, at some point I thought it cool that I could follow some tracks, only to realize a few twists and turns later that those tracks were mine. I laid them there yesterday…. Going back home took me though some water, after which all grease had been removed from the chain. As the squeaking became pretty unpleasant, not only did I have to clean the bike, but the chain as well, and lube it.

October 10: yesterday evening, I had the second official training. The first practice run went OK, down a slippery steep slope, make a 180, then climb out of this pit (just doable for me), two switchbacks, over a grassy ridge, down again building speed, and going up the steep slope just meters next to the starting descent. I managed to do that twice or thrice before being completely out of breath. It’s becoming clear to me that I lack raw power and stamina, and that I’m overweight for this stuff. The second run pretty much was the first in reverse, but as the slippery steep slope was near impossible to climb, the trick here was to jump off the bike at the right moment, and walk up the slope. I only did that once, as when I jumped off the bike, I pulled the very same muscle I injured a week before. So I skipped that part, and did a couple of all-out descents. The third practice run was riding two by two through some switchbacks, and going up and down the side of a hill. I skipped that one, as I felt that I wouldn’t have sufficient control for that due to that pulled muscle as it still was painful. I did join the bunch for the final practice run: a tarmac race over about 300m, just to train the start. Man, that was hard! We did it three times, and I felt pretty wasted each time.

Today, I repeated a few of yesterday’s and last week’s exercises. I did one descent I skipped last week, fiirst time wenk OK, second time not so good. That’s on the list for tomorrow. Also on the list is the dreaded descent where I went down last week, as I didn’t really get around doing that one today. Lastly, jumping off and on the bike will be on the list. I may even combine that with jumping over the bars that have been laid down.

I’ve heard that Lisse has a pretty flat course, so I probably will start there on Sunday. Saturday is still undecided. There’s one at Sloten, which probably is also flat, but I may also opt for a 50km tour.

To be continued.

Weggewaaid…..

De MonsterTijdRit stond vandaag op het programma. Voor eenieder die onbekend is met dit fenomeen: de MonsterTijdRit is een tijdrit (joh!) over drie ronden van 40.8km, dus in totaal een 122.4km, en is daarmee de langste in Nederland. Er zijn langere tijdritten: in de UK en de US worden century time trials gehouden. Inderdaad, over 100 mijl.

Het parcours van de MTR ligt ten noordoosten van Almere. Dat betekent wind. Persoonlijk heb ik liever eerst de wind tegen, en dan in de rug, maar vandaag mocht dat niet zo zijn. Het eerste lange rechte eind ging met de wind mee, en dus het tweede lange rechte eind ging recht tegen de wind in.

Toen ik om even over negenen in de auto stapte was het bijna windstil, maar bij de start aangekomen stond er al een windje. Op het eerste gezicht leek het niet veel voor te stellen, maar bij het inrijden merkte ik dat het een dichte wind was, die niet lekker om je heen dwarrelt, maar waar je als een muur doorheen moet rijden. Na het inrijden klaarmaken voor de start, en richting de lijn.

Het plan was om de eerste ronde met een hartslag van een 160bpm te gaan rijden, de tweede ronde tot een 165bpm, en dan zou ik nog wel genoeg over moeten hebben voor de laatste ronde. Afgezien van de eerste kilometers direct na de start, waar er zijwind was, lukte dat wel. Aan het eind van het lange rechte stuk ging het rechtsaf, en was er weer zijwind. Tandje teruggeschakeld, en alles was onder controle. Ik kreeg zo af en toe een harde windvlaag, maar op zich is dat niet zo raar. De begroeiing heeft gaten, en er staan boerderijen en schuren, dus een rukwind is niet zo vreemd. Ik merkte wel dat mijn hartslag geregeld boven 165bpm uitkwam. Even wat minder kracht op de trappers zetten, en het zakte naar net boven de 160bpm. Aan het eind ook hier naar rechts, en recht tegen de wind in. Weer een tandje terug, en alles onder controle. Tenminste, als ik op mijn hartslag bleef letten, want ook op dit stuk ging die geregeld de lucht in. Kon weer opschakelen in de lange bocht naar het stuk richting start en finish. Vooralsnog ging het wel OK.

De tweede ronde was een aardige herhaling van de eerste ronde, met dien verstande dat ik een tandje zwaarder kon rijden. Onderhand begonnen ook een aantal kleine pijntjes de kop op te steken: de onderarmen, de schouders, het zitvlak. Heel vertrouwd, allemaal, ik had het al twee keer eerder meegemaakt. So far, so good. De vlagerigheid van de zijwind leek weer wat meer te zijn, wat weer resulteerde in het omhoog schieten van de hartslag. Deze keer was ik daarop voorbereid, en had ik de zaak eerder in de hand. Ook het lange stuk tegen de wind in leverde weinig problemen op. Op naar de derde ronde.

Bij de tweede passage was ik zo’n twee en een half uur onderweg. Als ik zo door zou gaan, zou ik zo om de 3 uur 45 minuten finishen. Ik had eigenlijk 3 uur 40 in gedachten voor de start, maar dit was ook wel goed. Het stuk met de wind in de rug weer op het wat zwaardere verzet gedraaid, en om de onderarmen en schouders wat te ontlasten kwam ik een paar keer overeind. Met de wind in de rug is dat niet zo erg. Bij het einde-rechts viel het me gelijk op dat de zijwind een stuk harder was dan eerder, en de rukwinden waren ook krachtiger. Het kostte me net te veel kracht om op het verzet dat ik daar de vorige ronden getrapt had rond te blijven rijden, dus schakelde ik terug. Dat was een tegenvaller. Het zou hoogstwaarschijnlijk ook inhouden dat ik het stuk tegen de wind in ook lichter moest rijden dan in de vorige ronden. Een paar honderd meter verder vond ik dat dit verzet net iets te licht was, dus voor en achter schakelen om een beter verzet te vinden. Dat lukte.

En toen ging het mis.

Ik keek al een tijdje op de zwaardere stukken wat scheel, maar daar was deze ronde een licht gevoel van misselijkheid bijgekomen. En nu begon mijn rechter kuit stijf te worden, en zat aardig dicht tegen verkrampen aan. En dan, in een paar seconden, is alle kracht weg. De snelheid zakt en zakt, en eindelijk kun je een slakkegangetje vast houden. En omdat het stuk tegen de wind in nog moet komen, weet je dat je dit jaar geen goede tijd gaat halen. En omdat het nu dan toch niet meer uitmaakt, ga je in de houding zitten die het minst aantal pijntjes oplevert.Nog even overwogen om de kortste weg terug te nemen, maar ik heb liever een slechte tijd achter mijn naam staan dan DNF. Er zijn mensen die daar anders over denken, maar dit is mijn afwijking, zullen we maar zeggen.

En omdat er nu wat meer zuurstof beschikbaar is, toch maar eens nagedacht over waar en hoe het nu mis is gelopen. Ik had wellicht wat meer duurwerk kunnen doen, maar dat plan kwam in de verdrukking toen ik een nieuwe wegfiets kocht, en een weeklang bezig ben geweest om die goed afgesteld te krijgen. Toch denk ik niet dat dat de hoofdoorzaak is. Ik denk dat het aantrekken van de wind dat is. Het feit dat ik de tweede keer op het rechte stuk een zwaarder verzet kon schakelen was niet het gevolg van het feit dat ik nu goed opgewarmd was, maar omdat het harder was gaan waaien. De hardere rukwinden waren daar ook een teken van. Klaarblijkelijk heb ik dat niet opgemerkt op het stuk tegen de wind in. Wellicht dat het daar de eerste keer ook al harder was gaan waaien dan ik bij de start had ervaren. Ik denk dat ik op die stukken net iets meer kracht heb gezet dan eigenlijk moest, voeg daar de uitschieters in de hartslag bij, en ik denk dat je dan aardig dicht bij de oorzaak zit.

Tot zover het nakaarten. Boeiender is de vraag of ik dit een volgende keer kan voorkomen, of eerder kan onderkennen. Nu zijn scheel kijken en een gevoel van misselijkheid geen goede voortekenen, maar op zich hoeft dat nog niets te zeggen. Ik heb wel vaker niet al te fris uit de ogen gekeken en me niet echt lekker gevoeld zonder dat het veel gevolgen had. Anders ligt het met de uitschieters in de hartslag. Bij mijn weten is dit de eerste keer dat ik dit bij een tijdrit meemaak. Bij een toertocht stap je een keer vaker af, en bij het hardlopen gaat het me meer om het uitlopen dan om de tijd (tot op zekere hoogte). Dat zal dus volgend jaar in mijn achterhoofd zitten. Want een eindtijd van 4:03 schreeuwt om verbetering.

Time Trial Tinkering

Among other things, I partake in time trials. How that came about is something I’ll write about some other time, as it doesn’t stop at time trials, and is quite an amusing story on its own.

Time trialing consists of two things: biking as fast as possible on a set course while trying not to have yourself killed before the finish line, and endless tinkering with the bike in order to achieve this goal. No matter what bike you ride, be it a normal road bike, or a specialist’s TT-bike, you tinker. With the bars, with the saddle, with the height of them, with your wheels, with the tires, with whatever there is to tinker with. Sometimes the tinkering pays off, sometimes not so much.

Just to get a perspective of where I stand, I’m a recreant. My (first) big goal is doing 25mph on a 10 miles time trial. Nowhere near the big boys, but that’s OK. Not everyone is a Cancellara, nor is everyone a Bolt, nor a Kromowidjojo. As long as you’re having fun (in whichever way you may define fun), it’s OK.

My gear is a regular (aluminum) road bike, with a clip-on tri-bar. Nothing too fancy, although I carefully picked the tri-bar for having the lowest positioning for a reasonable price. Up until this summer, the only other modification I made to the bike was moving the saddle a bit forward compared to my road bike. Beginning this summer, I started to push a bigger gear. By itself, this is not such a big change, and I’ve gone it once before. this time, however, I started to feel a bit uneasy with my position on the bike. The saddle height was OK, but the handle bars were a bit high. As there were two spacers underneath the stem, dropping the bars was easy.

On the next time trial, I did notice that the new position was paying off, but also that staying stationary on the saddle became a painful affair. Moving a bit backwards on the saddle didn’t help much as it was just as small as at the tip. Now, there’s a rule that the saddle may not be any closer to the heart of the bottom bracket than 5cm (measured vertically), and you may have an issue with that rule with a regular saddle on a TT-bike. So manufacturers produced TT-saddles, with a shortened tip. So I got me one.

Here’s the two of them, the regular one on top of the new one. The difference is about 3cm. Within a second of the first test ride, I realized I had a problem. As this was a regular bike, the tip of this TT-saddle in its most forward position was about at the same spot as a regular saddle would be in its most backward position…

As I had a time trail the next day, I could either put the old saddle back, and suffer through it, or come up with a trick, as I liked the new position a lot better.

Now, if you look at the seat stem, its head is pointing backward. What if I turned it around, and have it point forward? I had just one worry: as the seat tube slants backward, the head of the seat stem is adjusted, so it’s horizontal. By turning the seat stem around, the head will point upward, and it may be possible that the saddle will tilt not far enough to compensate for that.

Well, it got close. It’s not horizontal, but it’s off by just a tiny bit, as you can see if you look closely enough. A test ride showed that you barely noticed.

The time trial didn’t go as well as I’d hoped. While warming up, I felt the saddle slip a bit. Checking it while still riding (jerking the sip up and down) showed that it was still firm enough to continue. The course was U-shaped, with start and finish at one leg, and a turning point at the other. It went pretty good until the last turn. Heading into a small headwind, I needed far more time to regain speed that I normally would, and maintaining speed proved too hard, even when shifting to an easier gear. The finish time was 20 seconds down from by best of 0:23:16 on this 14.4km course. Still, not too bad, but it could’ve been better.

When I checked the bike later, I noticed that the saddle had slipped all the way back. I don’t know when it slipped back, it may have been already so at the start, but it might have slipped during the trial, but it may very well have caused the problems on the home stretch.

It’s now back in the intended, forward position, and I’ve got another time trial tomorrow to test it once more. One thing is for certain: there’s more tinkering on the way, come win or lose.
Note added: the time trial went OK, saddle-wise. I would’ve loved to be a bit faster, but looking at the data (heart rate and cadence), I don’t think I could’ve been much faster.